Japanse meubels - Tansu

Oorsprong van de Japanse Meubelen - Tansu

De oudste sporen van het japans meubilair of "tansu" gaan terug tot de 8e eeuw, in't bijzonder de koffers en sierrekken van Chinese inspiratie, die toen slechts door het hof en de hogere standen gebruikt werden.

Slechts in de 18e eeuw, midden in het Edo-tijdperk (1603-1868), zal het gebruik van meubilair zich uitbreiden tot het volk, met nochtans één kenmerk eigen aan de Japanse woning: de voorkeur voor lege ruimten en eenvoud. Het meubel is eerst en vooral een gebruiksvoorwerp - nuttig om zaken in op te bergen - waardoor het zich onderscheidt van ons meubilair. Bij ons moeten meubels in de smaak vallen om de grote ruimten in onze woningen te sieren, in tegenstelling tot de veel kleinere volumes van de Japanse woningen.

Op het einde van de feodale tijd, en met de democratisering tijdens het tijdperk van de Meiji (1868-1912) kent het japans meubilair zijn gouden jaren. Het afschaffen van de opperste macht van de Samoerai en een reglementering der belastingen laat het volk toe een behoorlijk leven te leiden. Gedaan met de angst al zijn bezittingen te moeten aangeven. Het is op dat ogenblik dat meubels en andere gebruiksvoorwerpen te voorschijn komen en zich verspreiden. De grote meerderheid der stukken die we vandaag op de antiek-markt vinden dateren uit die periode. De oudste stukken werden zelden door hun eigenaar bewaard omdat ze vooral gebruiksvoorwerpen moesten zijn en dus werden ze vervangen zodra beschadigd.

Hoe het echte 'tansu' van de namaak onderscheiden?

Door het succes dat het japans meubel sedert enkele jaren kent is er jammer genoeg een markt van namaak en over-gerestaureerde meubels ontstaan. Deze spijtige tendens geldt niet alleen voor meubels, maar voor alle antiek, zowel Aziatisch als Europees. De meeste nagemaakte meubels zijn natuurlijk deze die het meest en het duurst verkocht worden: op de eerste plaats de 'kaidan' en de 'mizuya' en ook de 'sendai (isho) dansu' met zijn indrukwekkend ijzerbeslag.

In het algemeen is het japans meubel niet afgewerkt aan de binnenzijde, niet gevernist noch geboend. Als men een lade opent moet het hout zijn natuurlijke kleur hebben en normale slijtage (meer slijtage bij de 'mizuya' want dagelijks gebruikt; minder slijtage bij de 'isho' want minder gebruikt). De slijtage onder aan de lade moet ook zichtbaar zijn, zo ook op de plank eronder (japanse laden rusten niet op dragers maar op planken die de ganse onderkant in beslag nemen). In deze planken, gemaakt van ceder of cipres, kan men duidelijk de groeven zien veroorzaakt door slijtage en ouderdom.

De laden zijn ineengezet met houten of bamboe pennen. ln de oudste meubels zijn het rechthoekige pennen en soms met de hand gemaakte rechthoekige of vierkante nagels. Gedurende het Meiji tijdperk zijn de vierkante pennen en nagels vervangen door ronde. Begin 20e eeuw gebruikt men vooral industrieel gemaakte nagels en houten pennen, voornamelijk aan de zijkanten van de laden.

Ontwerp van het japans meubel

De eenvoud van stijl - met grotendeels rechte lijnen en weinige versieringen, best geschikt voor sobere interieurs waar lege ruimten hoofdzaak zijn - heeft het ontwikkeling van de 'tansu' sterk beïnvloed. De specifieke leven stijl (zonder schoenen, op de vloer zitten) heeft natuurlijk ook de stijl bepaald: bvb. geen voetstuk onderaan de, meestal lage, meubels die voorzien zijn van laden die al zittend gemakkelijk bereikbaar zijn. Deze levenswijze, eigen aan de culturen uit het verre oosten, hebben uiteraard hun invloed gehad op de kunstzinnigheid van het meubel. De voorzijde heeft dan ook meer belang dan de andere zijden die veel minder afgewerkt zijn. Asymmetrie speelt een voorname rol. Men vindt haar ook terug in andere Japanse kunstvormen zoals de 'ikebana' (bloemen schikken) en de architectuur.

De Japanse meubels zijn dikwijls opgebouwd uit twee of drie delen, met handvatten aan de zijkanten, die doen denken aan reiskoffers. In werkelijkheid was in de Edo-periode het reizen zeldzaam of zelfs verboden, dit om een betere controle te kunnen uitoefenen in geval van opstand. Het kwam er op aan de meubels, met hun inhoud, te kunnen redden bij brand. Branden, die de houten en papieren huizen onmiddellijk volledig vernielden, kwamen regelmatig voor als gevolg van tyfoons en aardbevingen.

De gebruikte houtsoorten zijn hoofdzakelijk lichte types zoals cederhout en cipres en soms paulownia (zeer gezocht) om de koffers niet te zwaar te maken. Alleen aan de voorkant vindt men dikwijls meer decoratieve motieven en zwaardere houtsoorten zoals de zelkova, kastanjehout, kersenhout of ook shioji, tamo of kakihout. Sommige Chinese houtsoorten worden ook gebruikt, vooral voor sierrekken.

De voorkant is veelal bedekt met een soort kleurloze lak die aan onze vernis doet denken, ofwel soms ook met een dikke bedekkende laag lak. Soms blijft het hout onbehandeld hetgeen dikwijls wordt toegepast bij paulownia.

Het ijzerbeslag is een belangrijk element van het japans meubel. Het wordt heel sober gehouden in het zuiden op het eiland Kyushu, maar het wordt een echt kunstwerk dat het hout bijna helemaal bedekt in het noorden bvb. in Sendai.

Meest voorkomende types van Tansu

Cha-dansu (theemeubel), Choba-dansu (handelaars meubel), Funa-dansu (scheepskist), Isho-dansu (kimonokast), Kaidan-dansu (trapmeubel), Katana-dansu (zwaardkist), Kuruma-dansu (kist op wielen), Kusuri-dansu (apothekers kast), Mizuya-dansu (keukenkast), Monoire-dansu (opbergkast), enz..